Coöperatief leren: Getallen

Op zoek naar enkele coöperatieve werkvormen rond getallenkennis te werken?

Ordenen

Telrij 2

Uitspreken

Telrij

Buurgetallen

Structuur

Honderdtallen

Positiewaarde

Honderdtal

Positiewaarde 2

Wandel – wissel uit

1. De kinderen verspreiden zich en lopen rond.
2. De leerkracht roept: “Sta stil” en de kinderen stoppen met rondlopen. 3. De kinderen vormen tweetallen met diegene die het dicht bij staat.
4. De leerkracht stelt een vraag of geeft een opdracht.
5. De kinderen wisselen hun antwoord uit.

Geschikt voor:

1. Open vragen.
2. Informatie uitwisselen.

Binnencirkel-buitencirkel

1. De leerkracht vormt tweetallen. Binnen een tweetal is een leerling nummer 1 en de ander 2. De nummers 1 vormen een cirkel, als de cirkel er staat zoeken de nummers 2 hun partner op en gaan daar achter staan. De nummers 1 draaien zich om en kijken naar hun partner.
2. De leerkracht stelt een vraag. De buitencirkel geeft het antwoord en de binnencirkel luistert. Dan worden de rollen omgedraaid.

3. De partners geven elkaar een rechterhand en draaien de rechterschouders naar elkaar toe. Dan schuiven ze vijf plaatsen op. Elk kind die ze tegenkomen geven ze een high five en wordt er geteld.
4. Er worden nieuwe partners gevormd en een nieuwe vraag gesteld.

Legpuzzel

1. De leerstof wordt verdeeld in gelijkwaardige delen.

2. De kinderen worden verdeeld in heterogene groepen. (stamgroep)
3. Groepsvorming: kinderen bedenken een groepsnaam of groepslogo.
4. De leerkracht nummert de groepsleden van de stamgroepen. Alle nummers 1 gaan bij elkaar zitten etc. De leerkracht verdeelt de onderwerpen. Dit worden de expertgroepen.
Ze bestuderen de tekst, maken aantekeningen of een samenvatting.
5. Kinderen keren terug naar de stamgroep en vertellen om de beurt wat ze geleerd hebben in de expert-groep. Ze voegen de informatie bij elkaar en maken een groepswerkstuk.
6. Het groepsresultaat wordt geëvalueerd.

Genummerde hoofden

1. De kinderen krijgen allemaal een nummer.

2. De leerkracht stelt een vraag. Elk kind moet na zoveel minuten het antwoord weten.
3. Iedereen denkt voor zichzelf na en schrijft een antwoord op.
4. De kinderen steken hun hoofden bij elkaar. Om de beurt (rotonde werkvorm) brengen ze een antwoord in. Ze komen samen tot een antwoord.
5. De leerkracht noemt een nummer en de kinderen met dat nummer steken hun hand op en geven het antwoord op de vraag.

Geschikt voor: open en gesloten vragen.

Denken – delen – uitwisselen

1. De leerkracht geeft een opdracht/vraag.
2. De kinderen denken individueel (1-2 minuten) na en schrijven hun antwoord op.
3. De kinderen delen in tweetallen hun antwoord.
4. De antwoorden worden klassikaal uitgewisseld.

Geschikt voor:
1. Open vragen
2. Mening geven
3. Het activeren van de voorkennis