Kennismaking met de nieuwe juf/meester

Op de eerste schooldag kennismaken is één van de meest cruciale zaken die er moet gebeuren. Het Kennismakingsspel dat je hier terugvindt maakt het heel interactief en laat kinderen al nauw samenwerken.

Concreet zet de leerkracht enkele sleutelwoorden/antwoorden op het bord en de leerlingen proberen dan in groepjes de juiste vraag te stellen die bij het antwoord hoort. Plezier verzekerd!

5 activiteiten om het schooljaar te starten

Activiteit 1: Meet de groei van de leerling.
Maak de eerste schooldag een foto van alle leerlingen apart waarbij ze volledig op de foto staan. Deze foto’s kun je aan het eind van het schooljaar vergelijken met nieuwe foto’s. Zijn ze qua uiterlijk veranderd? Daarnaast meet de leerlingen op! Plak een stuk behang of karton tegen de muur en trek voor iedereen een streep. In januari en juli kun je dit nog een keer herhalen, vooral in het zesde leerjaar is de groei erg leuk om terug te zien. De metingen kun je ook weer terug laten komen in een rekenles.

Activiteit 2: Laat de leerlingen verwachtingen opschrijven.
Wat verwachten de leerlingen van dit jaar? Leerlingen schrijven op een blaadje wat ze dit jaar  naar uitkijken. Misschien kijken ze uit naar het schoolreisje, spreekbeurt, kamp, Koningsdag of nieuwe vakken als Engels of topografie. In lagere groepen kun je dit sturen door vooraf vragen op te schrijven, hierdoor kan iedereen in ieder geval wat opschrijven. Op de laatste schooldag van het schooljaar kun je de briefjes teruggeven. Je kunt dit ook doen door middel van afbeeldingen. Laat de leerlingen een vision board maken met afbeeldingen wat zij verwachten van dit jaar. Misschien een plaatje van een spreekbeurt, vakantie, uitwisseling en een musical. Niet alles hoeft over school te gaan, misschien gebeurt er wat in de persoonlijke situatie krijgt iemand een zusje of broertje. Dit heeft allemaal invloed op het gedrag van de leerling.

Activiteit 3: Laat de leerlingen wat maken.
De eerste schooldag brengt bij iedereen spanning mee. Wanneer de leerlingen lekker met een opdracht bezig kunnen zal de druk wat weg vallen. Daarnaast kunnen ze ook met elkaar praten over de vakantie of andere belevenissen. Ze kunnen bijvoorbeeld de eerste schooldag een verjaardagskalender maken. Voor ideeën kun je kijken op verjaardagskalender deel 1 en deel 2. Hieronder ook een leuk voorbeeld, wie kent ze niet? De kleine gele wezentjes ‘minions’ uit de film Dispicable Me! Laat de leerlingen er allemaal 1 maken en plak ze op een groot vel. Hierdoor heb je meteen een leuke versiering voor in de klas.

Lesidee1schooldag

 

Activiteit 4: Geef een gewone les.
Leerlingen zijn vaak erg benieuwd naar de vakken die zij in de nieuwe groep krijgen. Een idee is om juist met dat nieuwe vak te beginnen, hierdoor haal je wat spanning bij de leerlingen weg. Wanneer de leerlingen voor het eerst Engels krijgen kun je hiervan alvast een kort lesje geven.  Door ze een klassikale les te geven kunnen ze wennen aan jouw stijl van lesgeven en haal je misschien wat spanning bij ze weg. Door ze ook even individueel te laten werken merken ze wat bij jou de grenzen zijn. Mag je overleggen als het niet lukt? Mag je ondertussen wat vragen? Wat als je klaar bent? Mag je naar het toilet? Hierdoor laat je onbewust de regels in de klas al zien. Begin met een wat lager niveau, hierdoor heeft iedereen de kans om een antwoord te geven. Geef ook veel complimenten hierdoor krijgen de leerlingen meer zelfvertrouwen en houden zij een goed gevoel over aan de eerste schooldag.

Activiteit 5:  Plan een sportactiviteit.
Gegarandeerd succes bij de leerlingen. Vooral wanneer de leerlingen elkaar nog niet zo goed kennen is sport een goede manier om kennis te maken. Kies een vorm waarbij verschillende sporten en spellen aan bod komen, hierdoor is iedereen wel ergens goed in. Plan de activiteit aan het einde van de dag. Vooral op een eerste schooldag zijn er veel prikkels en indrukken te verwerken. Door even te kunnen uitrazen verwerken de leerlingen al veel.

 

Bron: http://koffiekwartier.nl/de-eerste-schooldag-6-activiteiten/

Kennismakingsspelletjes

Kennis maken doen we altijd als we ergens nieuw zijn of nieuwe mensen tegenkomen. Het kennismaken kan betrekking hebben op de omgeving en natuurlijk op personen.
Het accent kan liggen op het te weten komen, en het onthouden van namen en plaatsen.
Het accent kan ook liggen op het gebied van sfeer maken en in contact komen met de omgeving (gebouw/personen).

Pas je spel aan aan het niveau van je deelnemers. Met kleine kinderen speel je een ander spel dan met volwassenen. Je moet ook rekening houden met de grootte van de groep. Als je een groep hebt van 20 deelnemers kun je de namen van de andere deelnemers nog onthouden.
Als je een groep hebt van 60 deelnemers, dan wordt het wat moeilijk. Tijdens ons kennismakingsspel zullen de accenten liggen op de sfeer en het in contact komen met de anderen.
Terrein,- opdrachttochten over het terrein zijn activiteiten waarbij het accent ligt op het kennis maken met de omgeving.

De volgende spellen zijn leuke ideeën om kennis met elkaar te maken

Namen Noemen
Krantenmeppertje
Spinnenweb
Namen-associatie-spel
Roep naam in emotie
Spinnenweb (2)
Leg je naam uit
Amerikaans liften
Teken naam in rebus
Vraagspel
Wie ben ik?
Ladderspel (materiaal)
MikMak
Ik leg een ei voor…
Blub, blub wie roept
Blaas uit die kaars
Stapelen!!
Geheim agent
Handen, voeten
Ik draai rond
Speel met de voeten
Ik zit…in het groen…
Kijk je goed
Stand in de mand
PangPang
Telefoontje
Hang en val
De trein
Bijvoeglijke alliteratie
Ik hang in de appelstruik
Zoek je partner
Vragendoos
Spring op bij de naam
Namenketting
Wie missen we?
Pak de persoon voordat hij een voorwerp heeft
Wie voel je nu?
Kennismakingskwartet
AdemNood
Namen noemen
De spelers zitten in een kring op een stoel. Eén van de spelers, Kees, begint het spel. Hij roept een naam, bijvoorbeeld Piet. De speler die rechts van Piet zit, moet nu zo snel mogelijk rechtop gaan staan. Piet gaat nu verder en noemt een andere naam. Zodra de groep is ingespeeld, maak je het moeilijker. Nu worden er twee namen genoemd. Vanaf Raymond tot aan Sandra opstaan. Let op: de eerste naam is belangrijk. Die blijft zitten en zet de volgende actie in gang. Als een verkeerde speler opstaat of een speler niet opstaat, wordt dat beloond met een strafpunt. Wie haalt de minste strafpunten?

 

Krantenmeppertje
De spelers zitten of staan in een kring. In het midden staat Koert met een krant, opgerold in de hand. Iemand uit de kring, aangewezen door de leider, noemt de naam van Janette die in de kring zit. Koert moet proberen dan zo snel mogelijk op de kniën van Janette te slaan. Als Janette voor de klap snel een andere naam noemt, dan heeft ze geluk. Noemt ze een verkeerde naam, of is ze te laat, dan is zij de krantenmepster.

 

Spinnenweb
De spelleider werpt een bolletje wol naar een medespeler, maar houdt zelf het begin van de draad vast. Deze medespeler vangt de bol, roept zijn naam, pakt de draad vast en werpt de bol naar iemand anders. Deze roept ook weer zijn naam en gooit verder. De rest spreekt voor zich. Als dit allemaal is gelukt, herhaal je het werpen in tegengestelde richting. De draad wordt zo weer opgerold. Zou he tlukken de naam te noemen naar wie je de draad toewerpt?

 

Namen-associatie-spel
Bepaalde gedrags,- of uiterlijkeigenschappen blijft iemand altijd bij. Daar associeer je iemand mee. Dus nu kan je er bewust mee omgaan. Iedereen staat in de kring. De spelleider begint met het roepen van zijn eigen naam. Daarbij maakt hij een bepaalde beweging, zoals een buiging. De volgende in de kring (met de klok mee) noemt ook zijn of haar naam en maakt hierbij een andere beweging. Zo gaat de hele kring rond. Hierna ga je weer de kring rond, maar moet je steeds de namen en bewegingen van de vorige mensen opnoemen en voordoen. Dus de eerste persoon in de kring doet alleen zijn eigen naam en beweging, maar de laatste in de kring moet alle voorgaande namen en bewegingen doen.

 

De naam laten horen
Er zijn groepjes gemaakt. De deelnemers staan achter elkaar met de gezichten in één richting. De voorste noemt zijn naam, daarna nummer twee en zo het rijtje af. Het is de bedoeling dat iedereen om de beurt zijn naam in verschillende emoties presenteert (verdrietig, vrolijk, bang, verlegen)

 

Spinnenweb (2)
De spelleider werpt een bolletje wol naar een medespeler, maar houdt zelf het begin van de draad vast. Deze medespeler vangt de bol, en werpt de bol naar een ander, terwijl hij het draad vasthoudt. De laatste rolt het draad terug naar de persoon van wie hij als laatste de bol kreeg. Tijdens het oprollen vertelt hij iets over zichzelf, zoals naam, over zijn woonplaats, broertjes en/of zusjes, school, werk, ouders, interesses.

 

Namenuitleg
Vertel een verhaal over je naam. Waar komt het vandaan en wat is de achtergrond van je naam? De andere mensen moeten zeggen of het verhaal fictief of non-fictief is.

 

Amerikaans liften
De spelers zitten in een kring op een stoel. Er wordt afgenummerd. Nummer één begint met het spel. Op teken van deze speler gaan alle handen in de lucht, dan slaat ieder op de kniën, klapt in de handen en knipt met de vingers om beurten boven de linker en rechter schouder. Goed onthouden dus: klap in de handen, knip links, knip rechts. Bij het knippen in de vingers links, roept nummer 1 zijn eigen naam en bij het knippen rechts over de schouder roept hij de naam van iemand in de kring. Die neemt de beurt over. De groep slaat weer op de kniën en klapt in de handen, allen knippen links, terwijl degene zijn naam noemt, allen rechts knippen, terwijl degene nu een andere naam noemt. Zo gaat verder. Wie het ritme verstoort, of de verkeerde handeling uitvoert, moet opstaan.

 

Rebusnaam
Geef iedereen een stuk papier; hierop moet iedereen in rebusvorm zijn eigen naam tekenen.

 

Het vraagspel
De groep splitst zich in tweetallen. Elk tweetal mag vier minuten lang aan elkaar vragen stellen over hobby’s, afkomst, leeftijd, naam, familie, etcetera.Na vier minuten mogen er geen vragen meer worden gesteld. De spelleider stelt nu een vraag over je partner, deze vragen kunnen over van alles gaan. Zonder te vragen of te kijken schrijf je het antwoord op. Als iedereen het antwoord heeft opgeschreven, controleren de partners elkaars antwoord. Is het antwoord goed, dan krijg je een punt. Als het fout is, krijg je geen punten. Als dat is gebeurd, gaat iedereen een andere partner zoeken, en start het verhaal opnieuw. ZO doe je het in totaal vijf keer (iedereen heeft elke keer een andere partner). Aan het eind gaat iedereen staan. De spelleider gaat dan vragen wie er een vraag goed heeft. Iedereen die een of meer vragen goed heeft, blijft staan, heb je geen vragen goed, dan ga je zitten. ZO gaat de spelleider door. Degene die de meeste vragen goed hebben, blijven dus het langste staan.

 

Wie ben ik?
Iedere speler krijgt een kaartje op zijn rug gehangen, met daarop de naam van een bekend persoon, stripfiguur, of popband. Het is de bedoeling dat je door middel van vragen stellen aan andere spelers erachter komt wat er op jouw kaartje staat. Je mag alleen vragen stellen waarop met “ja” of “nee” kan worden geantwoord. Je mag aan iedereen vragen stellen. Krijg je van iemand op je vraag nee te horen, dan moet je een andere speler opzoeken om vragen aan te stellen. Het accent van dit spel ligt duidelijk op kennismaking. Vandaar ook dat je na een nee antwoord op zoek moet gaan naar een andere speler. Wie raadt het snelst wie of wat er achter op zijn rug staat. Als variant kun je ook nog kijken wie er binnen een bepaalde tijd het meeste goede oplossingen heeft.

 

Ladderspel
De kaartjes met de namen van de deelnemers erop worden aan een lijn gehangen. Dit is de ladder. In het midden van de lijn komt een knijper te hangen. Dit is de hoogste sport van de ladder. Alle deelnemers kunnen elkaar nu gaan uitdagen met kleine korte spelletjes. Degene die wordt uitgedaagd, mag het spel bepalen. De winnaar mag zijn kaartje verwisselen met de verliezer om zodoende zo dicht mogelijk bij de hoogste sport op de ladder te komen. Er mag niet meer dan twee plaatsen hoger worden uitgedaagd.
Voorbeelden voor spelletjes:
· Touwtrekken
· Jeu de Boules
· Rondje om het terrein rennen
· Touwtje springen
· Balanceren van een vlaggetje/pion op de vinger
· Boter-Kaas-en-Eieren
· Rebus
· Armworstelen
· Het langst op een mok gaan staan
· Elkaar aan het lachen maken
· Galgje
· Emmer water halen
· Elkaars flessen omgooien
· Penalty schieten

 

MikMak
Je begint met een kennismakingsrondje waarbij iedereen twee keer zijn naam noemt. Vervolgens krijgt een deelnemer als eerste de beurt om een vraag aan iemand anders te stellen. Deze persoon moet bij naam genoemd worden. Degene die antwoord moet geven mag geen ‘ja’ en ‘nee’ zeggen en mag ook niet wijzen. Doet hij dat echter wel dan krijgt hij een MikMak (een stip met een warme kurk). Daarna stelt diegene een vraag aan een ander persoon uit de groep. Om de tien minuten wordt er gewisseld. Het is ook leuk om voor een vraag het woord ‘MikMak’ te laten zeggen. Vergeet de deelnemer dit dan volgt dezelfde procedure (met die kurk dus).

 

Ik leg een ei voor [naam]
De spelers staan in een kring, de armen ingehaakt. Een speler gaat hangen aan de armen van de buren en zegt: “Ik ben kippetje Bob, ik lig op stok en ik leg een ei voor kippetje Marlies”. Marlies gaat op haar beurt hangen en legt een ei voor een ander.

 

Blub blub, Wie roept
Iedereen ligt in een kring met voor zijn gezicht een bakje met water. Iedereen behalve één persoon, ligt met zijn gezicht in het water. Die persoon roept een naam, hapt lucht en steekt zijn gezicht ook onder water. De persoon wiens naam geroepen werd, heft zijn gezicht uit het water, roept zo vlug mogelijk een andere naam uit de groep, hapt lucht en steekt zijn gezicht terug in het water. Zo gaan we verder tot …

 

Blaas uit die kaars
Eén persoon wordt geblinddoekt. In de kring wordt een brandende kaars doorgegeven. Degenen die de kaars doorgeeft zegt telkens: “Alstublieft”. De ontvanger antwoordt vriendelijk met “dankuwel”. De geblinddoekt speler moet proberen de kaars uit te blazen.

 

Stapelen!!
Iemand roept “stapelen” en een naam; de persoon met de genoemde naam loopt weg, de andere moeten trachten op deze persoon te gaan liggen. Als het de persoon te veel wordt kan hij op zijn beurt “stapelen” roepen en een naam.

 

Geheim agent
De groep wordt verdeeld in twee ploegen en zij plaatsen zich met de rug naar elkaar (minimaal 3 meter van elkaar). De spelleider neemt van elke groep één persoon en plaatst deze met de rug naar elkaar in het midden. De anderen mogen zich omdraaien. Door tekenen en schijnbewegingen te maken moeten ze hun de persoon uit hun groep duidelijk maken wie achter hem staat. Nadat één van de twee werd geraden, begint het spel opnieuw.

 

Handen voelen
De spelers worden verdeeld in twee gelijke groepen. Een groep vormt een cirkel, met de gezichten naar buiten en de ogen geblinddoekt. De andere spelers kiezen een partner en laten hun handen voelen. Na een tijdje laat men de handen los en de buitenste spelers geven hun handen willekeurig aan geblinddoekten. Wie voelt het eerst de handen van zijn/haar partner?

 

Ik draai rond
Iedere deelnemer krijgt een blaadje met de naam op van een andere deelnemer. De bedoeling is dat je na het startsein drie keer rond de persoon loopt wiens naam op jouw blaadje staat. (het probleem ligt in het feit dat iedereen dit moet doen)

 

Ik speel met de voeten van
Alle spelers zitten op stoelen in een kring. In de kring staat een speler. Die zegt: “Ik speel met de voeten van … ( hier noemt hij 3 namen van kinderen). Deze personen moeten dan van plaats wisselen. De speler in het midden moet trachten een van de vrijgekomen stoelen te bemachtigen. Wie dat niet lukt begint opnieuw.

 

Ik zit in ‘t groen en ik hou van
Spelers zitten in cirkel op een stoel. Eén persoon staat in het midden. Er is één vrije stoel. De eerste speler links van de vrije stoel gaat op de stoel zitten en zegt: “Ik zit”. Er is nu een andere stoel vrijgekomen. De speler links van deze stoel gaat erop zitten en zegt: “In’t groen”. Weer komt er een andere stoel vrij. De speler links ervan gaat erop zitten en zegt: “En ik hou van [naam]”. De genoemde speler gaat op de vrijgekomen stoel zitten. Nu moet de speler in het midden proberen om te gaan zitten op de laatst vrijgekomen stoel vooraleer de eerste speler links erop gaat zitten en zegt: “Ik zit”. Degene die niet kan gaan zitten komt in het midden.

 

Kijk je goed
De spelers gaan in tweetallen tegenover elkaar staan. Ze bekijken elkaar een tijdje. Dan draaien ze de rug naar elkaar toe. Een van beiden verandert iets aan zijn/haar uiterlijk. Wat is er veranderd? Variatie: Zelfde werkwijze, maar nu stelt de spelleider een vraag: bv. Wat is de kleur van de trui van je partner. Regelmatig wordt er gewisseld van persoon.

 

Stand in de mand

Een speler staat in het midden van de cirkel met een bal. De middenspeler roept: “Stand in de mand en de bal is voorrrrr…” gooit de bal omhoog waarbij hij een naam roept. Iedereen stuift snel weg en de persoon wiens naam is geroepen komt aangelopen en probeert de bal te vangen. Hij moet dan de bal tussen de benen rollen van iemand die het dichtstbij staat. Bij dit persoon wordt een strafpunt geteld. En hij moet vervolgens in het midden van de kring staan en het spel gaat weer verder. Wie heeft als laatste de meeste strafpunten?

 

Pangpang
De spelers staan in een cirkel. Eén persoon staat in het midden. Hij draait rond zijn as en schiet een persoon uit de cirkel dood door hem aan te wijzen en te zeggen: “Pang, Tom”. Tom gaat dan zitten. De spelers rechts en links van Tom draaien zich één keer rond hun as en schieten elkaar dood. Degenen die eerst kan schieten wint. De gedode speler gaat dan zitten, de winnaar gaat in het midden staan en Tom mag weer staan. Zo spelen we tot er slechts twee personen overblijven. Op het einde zetten deze twee zich rug aan rug. Zoals bij een echt duel stappen ze weg van elkaar. Er mag geschoten worden als er verkeerd wordt geteld: bv. één, twee, drie, vier, zes. Wie is de beste “cowboy”?

 

Hang en valspel
De groep staat in een kring en legt de armen bij de buren over de schouders. De leiding fluistert van te voren een woord in bij iedereen. De leiding gaat nu een verhaal vertellen, waarin de woorden voorkomen. Op het moment dat iemand het woord hoort dat is ingefluisterd, dan gaat hij aan zijn buurmannen hangen.
Wil je een hilarisch moment? Fluister dan bij iedereen hetzelfde woord in.
Telefoontje
Iedereen zit, hand in hand, in een kring, behalve 1, die in het midden staat. Iemand wordt aangeduid. Hij zal een telegram versturen. Hij zegt: “Ik stuur een telegram naar …”, met iemands naam erbij. Hierna knijpt hij in een van de 2 handen die hij vasthoudt, waarna hij zegt: “… en hij is vertrokken”. Het handenknijpen wordt nu doorgegeven: het is de telegram. Dus, als iemand naast jou in je hand knijpt, knijp jij in de andere hand die je vasthoudt. Als de telegram aangekomen is, zegt de persoon naar wie hij werd verzonden “ontvangen!”. De persoon in het midden moet proberen de telegram te onderscheppen, door te raden bij wie hij nu is. Hij mag slechts 3 keer raden. Variatie: zet ergens halverwege enkele “telefooncentrales”, die moeten rinkelen nadat ze de telegram doorgaven.

 

Het trein verhaalspel
Iedereen gaat achter elkaar staan (als een soort treintje). De leiding gaat nu een verhaal vertellen. Vooraf is echter afgesproken dat bepaalde woorden een bepaalde beweging voorstellen. Dus bijvoorbeeld bij het horen van het woord “storm” moet de hele groep gaan zitten. Degene die een verkeerde beweging maakt is af.

 

Bijvoeglijke alliteratie
Iedereen zegt zijn voornaam en geeft daarbij een bijvoeglijk naamwoord (dat met dezelfde letter begint)
top

 

Ik hang in de appelstruik
Heel de groep staat in een kring. De deelnemer die begint gaat aan de twee deelnemers naast hem hangen en zegt: Mijn naam is… en ik hang in de appelstruik en ik geef de appel door aan …. Degene wiens naam genoemd is gaat op zijn beurt hangen en zegt dan: Mijn naam is…
en zo verder.
top

 

Zoek je partner
Alle kinderen hebben een kaartje met een dier op. Ieder dier komt twee keer voor. Op een teken gaat ieder zijn dier spelen en zoekt tegelijkertijd z’n soortgenoot. Hierbij kan je spelen met de kaartjes van een memoryspel, waarop ook andere voorwerpen zijn afgebeeld, zoals vruchten en planten.
top

 

Vragendoos
In een doos zitten papiertjes met een kennismakingsvraag erop. Om beurten haalt iedereen telkens een kaartje uit de doos en geeft daar een antwoord op.
top

 

Spring op bij de naam
De spelers zitten in een kring. Eén speler begint en noemt de naam van iemand uit de kring. Onmiddellijk gaan de buren van de genoemde opstaan. Diegene wiens naam werd genoemd, zegt op zijn beurt een nieuwe naam.
top

 

Namenketting
De spelers zitten in een kring en trachten elkaars naam te onthouden door een namenketting te maken die steeds langer wordt. Dat gaat als volgt: de 1e speler zegt: ik ben Jan. De volgende persoon zegt dan: dit is Jan en ik ben Joris. Zo gaat het de kring rond. En steeds worden de namen vanaf de eerste persoon herhaald.

 

Wie missen we?
Iedereen loopt door elkaar, en op een teken verstopt iedereen zich zo snel mogelijk. Niemand mag jou zien en jij mag niemand meer zien. De volgende keer krijgt iedereen de opdracht zich opnieuw te verstoppen, maar nu moeten ze blijven staan en de ogen sluiten. Heel stil wordt nu iemand door de spelbegeleider de zaal uitgeloodst. De andere spelers kunnen de ogen openen, en trachten na te gaan wie verdwenen is. Hoe heet die persoon? Hoe zag hij eruit?

 

Pak de persoon voordat hij een voorwerp heeft
De spelers lopen door elkaar. De spelleider roept plotseling een naam van iemand uit de groep en een voorwerp dat zich in de ruimte bevindt. De andere spelers trachten de aangeduide speler te tikken vooraleer die ene persoon het genoemde voorwerp bereikt heeft.

 

Wie voel je nu?
De spelers wandelen door elkaar. Iedereen zoekt voor zichzelf het tempo waarop hij met de ogen dicht kan verder wandelen. Als iedereen de ogen dicht heeft, zoekt hij met z’n rug de rug van een medespeler op. Iedereen verkent nu de rug waar hij tegen staat. Elke speler tracht nu te weten te komen wie achter hem staat.

 

Kennismakingskwartet
De grote groep wordt verdeeld in kleinere groepjes van een viertal spelers. Om de beurt kunnen de groepjes iemand uit een ander groepje vragen: bv.: Groep1 vraagt: wij vragen René uit groep3. Zit er toevallig een René in groep3 dan gaat hij naar groep1 De groep die aan de beurt is, vraagt net zolang verder tot ze zich in een naam vergissen. Dan is het volgende groepje aan de beurt. Uiteindelijk moet één grote groep ontstaan.

 

AdemNood
Probeer de groep klein te houden.
Iedereen zit in een kring op de grond met voor zich een teiltje gevuld met water. Alle deelnemers, op één na, houden hun gezicht (vooral neus en mond) in het water zodat ze niet meer kunnen ademen. De persoon die nog vrij kan ademen, noemt een naam uit de groep en steekt zijn gezicht dan ook in het water. De persoon, wiens naam genoemd werd, komt naar boven, noemt een andere naam uit de groep en haalt diep adem en steekt zijn gezicht weer in het water, enz… Personen die in ademnood verkeren doen best teken met hun handen of iets dergelijks dat ze vernoemd willen worden.

 

http://www.rayfra.nl/recreatie/kennismakingsspelletjes/

Gevoelsrondje

Ik start elke ochtend in mijn klas met een gevoelsrondje. Het is dan de bedoeling dat de kinderen zichzelf een cijfer geven tussen 0 en 5. Een 0 wil zeggen dat ze zich helemaal niet goed in hun vel voelen. Bij een 5 voelen ze zich fantastisch.

Schermafbeelding 2015-07-07 om 14.09.24

De kinderen kiezen zelf of ze vertellen waarom ze zich zo scoren. Er wordt dus een open sfeer gecreëerd waarin er naar elkaar geluisterd wordt en waar de kinderen vertellen hoeveel en wat ze willen. De kinderen in mijn 3de graad vonden dit heel verrijkend. Ik wilde daarom nog een stapje verder gaan. De kinderen krijgen van mij een mini-boekje met cijfers van 0 tot 5 wat op hun bank komt te liggen. Hiermee kunnen ze ook in de loop van de dag hun gevoel weergeven en aanpassen. Door dit principe wordt het ook voor de kinderen makkelijker om met elkaar om te gaan. Er staan ook enkele tips op – hoe kinderen met het gevoel van anderen kunnen omgaan.

Schermafbeelding 2015-07-07 om 14.09.15

Het gevoelsrondje kan vanaf het 1ste t.e.m. het 6de leerjaar gebruikt worden. Ik ontwikkelde daarom een versie per graad. In de eerste graad blijft het bij de basisgevoelens (met een smiley) – blij, boos, bang, verdrietig.
In de tweede graad krijgen de kinderen een smiley en een cijfer. In de derde graad blijft enkel het cijfer nog over.

Gevoelsrondekaartjes – 3de graad
Gevoelsrondekaartjes – 2de graad
Gevoelsrondekaartjes – 1ste graad

Praatprikkels – Doorvraagkaartjes

Het is leuk en belangrijk om met kinderen te praten. Dus stel je vragen als ‘hoe was het op school vandaag?’ of ‘wat heb je dit weekend gedaan?’. Helaas blijken deze lang niet altijd prikkelend genoeg om tot een goed gesprek te komen. Een gesprek dat echt ergens over gaat, diepgang heeft, een filosofisch gesprek bijvoorbeeld.

Daarom zijn de Praatprikkels ontwikkeld. Praatprikkels zijn kaartjes met daarop een filosofische vraag en bieden zo een laagdrempelige manier om met te filosoferen met kinderen. Je pakt ze er zo even bij in de kring of thuis aan tafel. Je trekt een kaartje en het gesprek kan beginnen.
Praatprikkel voorbeeldElke vraag kan meerdere filosofische thema’s oproepen zoals waarheid, tijd, vriendschap, identiteit, gelijkheid, vrijheid en nog veel meer. Het maakt niet uit bij welk thema het gesprek uitkomt. Elk kaartje bevat een illustratie die de vraag ondersteunt en vaak ook al aan het denken zet.

Het enige wat de volwassene moet doen is de kinderen zo lang mogelijk stimuleren om verder te denken door hun antwoorden te bevragen, bijvoorbeeld met een van de vragen die op de achterkant van de kaartjes staan. Op www.filosofiejuf.nl/downloads zijn bovendien doorvraagkaartjes te downloaden om te printen, uit te knippen en eventueel op karton te plakken of lamineren.

Je kan ze ook hier downloaden!

Kleuren bepalen de groep

Als leerkracht wil je niet dat de leerlingen altijd in dezelfde groepssamenstelling zitten. Soms stel je bewust andere groepen samen omdat de leerlingen aanvullende vaardigheden hebben. Soms wil je alleen maar dat de groepen eens willekeurig samen gesteld worden. In dat laatste geval kun je het volgende doen.

Werkwijze
Neem gekleurde kaartjes. Van elke kleur zoveel als de groep groot moet zijn. Het totale aantal kaartjes is gelijk aan het aantal leerlingen in de klas. Bij binnenkomst laat je elke leerling een kaart uit de zak pakken. Daarna gaan die leerlingen die dezelfde kleur hebben bij elkaar in groepen zitten.

Fotospel

Een tafel ligt vol met foto’s. Elke leerling kiest er één uit die hem of haar het meest aanspreekt, wat zijn of haar standpunt het beste weergeeft of waar hij/zij het meest tegen is. Iedereen legt zijn foto neer op zijn tafel met een blanco papier erbij.

Nu gaat iedere leerling langs alle foto’s en schrijft daarbij enig commentaar. Tenslotte pakt ieder zijn eigen foto weer plus het geschreven commentaar en legt uit waarom hij die foto gekozen heeft en reageert op het geschreven commentaar.

Op zoek naar…

Werkwijze
  • Verdeel de klas in twee of drie groepen. Geef aan elke groep evenveel vragen als de groep groot is. Elke leerling heeft nu één vraag waarop hij van zoveel mogelijk klasgenoten van zijn groep het antwoord moet zien te krijgen. Vragen kunnen zijn: als je één ding in de wereld zou willen veranderen, wat zou dat dan zijn? of wat zou je het liefst willen worden?
  • Als deze ronde voorbij is dan krijgt elk lid van de groep een naam van een leerling van die groep. Nu lopen ze weer rond en vragen aan de anderen: heb je informatie over die leerling. De antwoorden worden weer genoteerd door de leerlingen.
  • Hierna worden de antwoorden van één leerling voorgelezen en moet de klas raden over wie het gaat.

Activerende Werkvormen, J.H. Flokstra